Bij onderzoek van rechterlijke archieven, weeskamers of boedelschrijvingen kom je regelmatig bijzondere (vinden wij nu) woorden tegen; vaak met Groningse oorsprong. Een poging om een aantal te beschrijven. 

 

Bron verklaring (tenzij anders vermeld): K ter Laan: Nieuw Groninger Woordenboek, uitg. H.D. Tjeenk Willink, Bouma’s Boekhuis, Groningen 1974  

Bodde : Bod, Bodde ook Borre = een slee met een bak er op , getrokken door een paard, om lasten te vervoeren, kinderen naar school te brengen bij slecht weer, mest te rijden etc. Op een omgekeerde bod werden de varkens geslacht. Bodjn= mit bod voarn.

Borsem kleden : wellicht : Bozzem = schoorsteenmantel. Bozzemklaid, kleedje van blauwbont katoen, dat van de rand van de schoorsteenmantel neerhangt

Bret = plank

Degelpan = Koperen pan met ijzeren handvat en pootjes.

Dobbelier ( Botterdose met een dobbelier): wellicht dobbelaier: diep schoteltje,  bij ouden van dagen (let wel: begin 20e eeuw) nog bekend als kleine stenen kommetjes om er aardappels in te stippen (dopen)

Dussel = kapwerktuig

Heukelingh, Heukel = Hokkeling (jong kalf)

Kaare : Kaar, Kare = kar. Vrouger gong ’t apmoal mit koarn  (kruikarren).

Kijpe = Kiepe, mand, op de rug gedragen  of ook een getralied langwerpige bak met 4 armen, waarmee twee personenhooi klaver etc aandragen

Kroene (wielen met haspel, trilwiel met Kroene) : wellicht Kroon: = toestel, dat bij ’t spinnewiel behoorde, waarop het garen gewonden werd. De kroon draaide om een loodrechte spil, in tegenstelling met de haspel, die een horizontale as had.

Krouwel = Mestvork met 3 of 4 tanden (Bron: Groninger Volksalmanak 1929, pg. 167)

Loijke : wellicht Looike? = Loaike = Belslee

Mantelstok met een bakje : ?Kapstok? wellicht ook verwijst dit naar Bozzem: ’t Bozzemstok: schilderij voor de schoorsteen.

Molden : Wellicht Mol(le) = langwerpige vlakke houten bak, waarin de boter gezouten en gezuiverd wordt, bottermol.

Motte = Mot, Modde, = zeug. Mot het bign. Hai het ’t zo drok as n mot mit ain big. Hij maakt veel drukte en voert niets uit.

Peul (e) = peluw (langwerpig stijf onderkussen). Twij geleuvn op ain peul, is ain te veul: waarschuwing tegen gemengde huwelijken (vergelijk Ned.: Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen).

Pothalen: haardijzers om potten aan te hangen

Pulterum : in NGW ’t Pultrom, nevenvorm van puntrom, in Ww is pultrum de enige vorm, De Punter. = 1. Kast met onder drie laden, daarboven een ruimte, afgesloten door een schuin deksel (lid). De smalle boven vlakte is omgeven door een laag hekje. 2.  Het ouderwetse meubel met een houten stoel er in voor de meester. In 1824 uit school gebannen. (Bijdragen 1901, 380)

Rabat : ’t bovengedeelte van de gordijnen (van het bed, van een venster, tussen kamer en suite)

Spintje : Wellicht Spind : Kastje onder vensterbank, klein kastje

Telder = Schotel

Telderrik = Rek voor schotels

Tijn : Melktien = het vat waarin de melk staat te romen, vaatje

Treeft = drievoet

Waskebalie : Waskeboalie = Wastobbe. Baalje = Houten wasvat (Bron: Groninger Volksalmanak 1929, pg. 169).