Persoonskaart van Stijntje Jans (Christina) Langbeek

Stijntje (Christina, Kristina, Stientje) Jans Langbeek, dr. van Johan Jurrien Langbeek en Helena Catharina Kweeboom, geb. op 15 mei 1808 Westerbroek (Acte van bekendheid opgemaakt t.g.v. haar huwelijk met Derk Reilman). Ze woont met Reindert Koning op 9 november 1878 in Schuilingsoord, ovl. (70 jaar oud) op 30 november 1878 te Zuidlaren (get.Hendrik Venema, 46? jaar, arbeider; Lukas Venema, 40, arbeider, beide buren). Bij haar ovl. is als geboorte datum 15 mei geregistreerd, en dat is waarschijnlijk gewoon het midden van de maand. Bij het huwelijk was een acte van bekendheid opgemaakt, toen was slechts de maand mei bekend.
tr. (resp. 22 en 26 jaar oud) (1) (Burgerlijke Stand) op 22 januari 1831 te Slochteren  (get. Geert Hindriks Brink, 35, dagloner, Ewold Harm Groenveld, 48, landbouwer, beide wonende te Harkstede; Henderijkus Jans Helmets, 39 kasteleinsknecht te Slochteren, Willem Matthijs Sluiman, 35, veldwachter, wonende te Scharmer; allen zonder maagdschap)
met Derk Hindriks Reilman (Ruilman), zn. van Henrik Reilman en Anna Middeke, geb. op 2 november 1804 Ankum [Duitsland], arbeider, geboren te Scharmer op 18 mei 1833, ovl. (30 jaar oud) op 10 oktober 1835 te Engelbert, gem. Noorddijk (get. Harm Kornelis Kruijer, 68, arbeider, Lambertus Jans Faber, 44, schoolonderwijzer, beide wonende te Engelbert.)
Voor het huwelijk werd een verklaring van onvermogen afgegeven. Bij de huwelijkssluiting werden hun beide oudste kinderen gewettigd. Jongste zoon Jan was toen twee weken oud.

Uit dit huwelijk:

  1. Hindrik Reilman, geb. op 28 januari 1829 (Erkend bij huwelijk ouders) te Scharmer (aangifte door Derk Hindriks Ruilman, getuigen Berend Alberts Scheper, 30, Eilt Willems Oost, 32, beide arbeiders, te Scharmer) praamschipper (1855), dagloner (1859), koopman (1874), winkelier (1884), ovl. (79 jaar oud) op 1 januari 1909 Veendam, tr. (resp. 22 en 25 jaar oud) op 18 januari 1852 Hoogezand met Catharina Clobus, dr. van Gerardus Clobus en Maria Dorothea Börger, geb. op 15 september 1826 Kalkwijk, dagloonster, ovl. (38 jaar oud) op 3 juni 1865 te Kleinemeer, gemeente Sappemeer.
  2. Jan Reilman, geb. op 4 januari 1831 Scharmer, Westerbroek (aangifte door Derk Hindriks Ruilman, getuigen Willem Matthijs Sluiman, 35, veldwachter; Jan Tonnis Bakker, 34, dagloner,beide te Scharmer). Jan was huwelijksgetuige van Peter Langbeek en Grietje Schievink, zijn halbroer,op 20 januari 1883 te Hoogezand, schoenmaker op 20 januari 1883, woont op 20 januari 1883 Schildwolde, ovl. (68 jaar oud) op 2 april 1899 Hoogezand, tr. (25 jaar oud) op 6 september 1856 Sappemeer met Elisabeth Oosterwijk, dr. van Jan Hindriks Oosterwijk en Thekela Jansen, koopvrouw, ovl. op 7 augustus 1897 Hoogezand.
    Bij aangifte krijgt hij de naam Ruilman. In de kantlijn wordt vermeld dat hij bij Huwelijksacte van 22-1-1831 door Derk Reilman en Stijntje Jans Langbeek, arbeiders te Scharmer, is erkend.
    In 1853 bevalt Elisabeth Oosterwijk van een dochter Stientje. Het is in onecht geboren. Jan Reilman wordt niet genoemd in de acte. Wel echt hij het kind drie jaar later, bij het huwelijk van Elisabeth en hem. Elisabeths moeder heet Tekela, het is m.i. zeer waarschijnlijk dat het kind naar de moeder van de verwekker is genoemd, en dat zou dan dus inderdaad Jan Reilman kunnen zijn.
  3. Aaltje Derks Ruilman, geb. op 17 mei 1833 (vader Derk Hindriks Ruilman, moeder Stientje Jans Langbeck) te Scharmer, gem. Slochteren (get. Harm Hofman, landbouwer, 70; Willem Matthijs Sluiman, veldwachter, 37, beide te Scharmer wonend), ovl. (10 maanden oud) op 9 april 1834 te Scharmer, gem. Slochteren (aangifte door de vader en Harm Hendriks Wever, nabuur, 34, dagloner.)
  4. Geert Reulman, geb. op 22 juni 1835 te Engelbert (get. Engelbert Lambertus Jans Faber, 44, schoolonderwijzer, Willem Spithoff, 44, landbouwer, beide naburen te Engelbert) arbeider (1868, 1874, 1888), koopman (1879, 1881-82, 1884, 1896), werkman (1868),  ovl. (60 jaar oud) op 15 mei 1896 te Veendam, tr. (resp. 26 en 25 jaar oud) (1) op 1 juli 1861 Muntendam met Reina Gorter, dr. van Jakob Jakobs Gorter en Johanna Nikolaas Burggraaf, geb. op 28 oktober 1835 Veendam, arbeister, ovl. (27 jaar oud) op 29 juni 1863 te Muntendam, tr. (resp. 28 en ongeveer 21 jaar oud) (2) op 28 november 1863 Muntendam met Elisabeth Maria Kleine, dr. van Frans Kleine en Marijke Berends Westerbaan, geb. circa 1842, werkvrouw (1868), ovl. (ongeveer 37 jaar oud) op 13 april 1879 Veendam , tr. (45 jaar oud) (3) op 23 april 1881 Veendam met Johanna Westra, dr. van Warnder Roelfs Westra en Elisabeth Borgers, ovl. op 26 juli 1913 Veendam.
    (Aangifte als Geert Reulman, zv Derk Hindriks Reulman en Stientje Jans Langebeek. Bij zijn huwelijken wordt hij steeds.
    Reulman genoemd.)

Uit onbekende relatie(s)

  1. Harm Langbeck, geb. op 17 januari 1842 [Harm, zoon van Christina Langbeek] te Scharmer, gem. Slochteren (getuige: Johan Jurrien Langbeek, aangever, grootvader) Pieter Jakobs Koopman, 39, landbouwer, Pieter Roelfs Nieborg, 42, dagloner, beide te Scharmer, overleden Westerbroek, letter A, nummer 8, Letter A 8 Westerbroek op 5 april 1849, ovl. (7 jaar oud) op 4 april 1849 (leeftijd bij overlijden 7 jaren, z.v. Christina Langbeek, arbeidster, wonende te Westerbroek) Westerbroek, gem. Hoogezand (getuige: Nutte Venema (zwager van Reindert Koning), 31, arbeider, Westerbroek en Klaas Eik 24, dagloner, Westerbroek, naburen.)
  2. Leentje Langbeek, geb. circa 1844, (geen geboorte gevonden in Hoogezand Tienjarentafels 1843-1852; geboorteakten Slochteren doorzocht vanaf sept 1844-1-1-1845. Geen inschrijving Scharmer, overlijden Westerbroek, letter A, nummer 9,) ovl. (ongeveer 3 jaar oud) op 16 september 1847 te Westerbroek gem. Hoogezand, bijna drie jaren (get. Harm Roelfs Stel, 48, landbouwer en Hendrik Jans Krijgsveld, 42, dagloner, beide wonend te Westerbroek, naburen).

relatie met (3) (vermoedelijk 1848)
met Reindert Koning, zn. van Philippus Berends Koning en Stijntje Derks Fijn, geb. op 2 oktober 1828 te Westerbroek (getuige: Johan Josef van der Borg, 59, timmerman, Oomke Bruins Mulder, 37, dagloner, Westerbroek), dagloner, geboren in Westerbroek, letter A, nummer 38, A 38 Westerbroek op 2 oktober 1828, woont op 6 februari 1857 Annen, woont op 9 november 1878 Schuilingsoord , woont met Stijntje Jans Langbeek op 9 november 1878 in Schuilingsoord, woont in huis Letter B nummer 27, Zuidlaren met Hillegien Lamein op 1 januari 1880, vanaf 21 januari 1890 weduwnaar, woont armenhuis Midlaren,letter C, nummer 4, Groningerstraat 34 Midlaren tussen 1901 en 1904.
Ovl. (75 jaar oud) op 24 februari 1904, 07:00 uur te Midlaren (getuige: Derk Strobos, 63, armvader, Midlaren; Jan Liebe, 42, arbeider, Midlaren).
Bij aangifte van de geboorte van Eltje Koning is Reinder 20 jaar oud. Het kind wordt aangegeven als dochter van Reinder en Stijntje, ongehuwd, wonende te Westerbroek. Als hij in 1852 de geboorte van Stijntje Koning aangeeft, is zijn leeftijd genoemd 21 jaar, en zijn hij en Stijntje Jans Langbeek geregistreerd als ehelieden te Westerbroek. Een huwelijk heeft zeer waarschijnlijk niet plaatsgevonden. Tot heden geen bewijs hiervoor. Het laatste kind: Peter, heet ook weer Langbeek, hoewel hij als Koning is aangegeven, en dat zou in geval van een huwelijk niet zo zijn geweest..
In 1850 was het adres van Stijntje en Reindert Borgweg 24 te Westerbroek. In 1852 tekent R.F.Koning (24, arbeider) als getuige de huwelijksakte van Hindrik Reilman met Catharina Clobus.
In 1856 is Stijntje aanwezig bij het huwelijk van zoon Jan Reilman met Elisabeth Oosterwijk. Zij woont dan in Annen, prov. Drenthe en geeft haar toestemming..
In 1863 geeft Stijntje toestemming bij huwelijk Geert, zij woont dan in Zuidlaren. Zij tekent niet omdat ze niet kan schrijven.
Uit deze relatie:

  1. Eltje Langbeek, geb. op 27 mei 1849 Westerbroek, arbeidster, ovl. (75 jaar oud) op 25 maart 1925 te Rolde , tr. (resp. 20 en 25 jaar oud) op 7 augustus 1869 Zuidlaren met Jan Klein, zn. van Klamer Klein en Johanna Frederika Harms, geb. op 10 juni 1844 Kalkwijk, ovl. (77 jaar oud) op 4 december 1921 Deurze, Rolde.
    Bij geboorte geregistreerd als Koning, met als opmerking in de kantlijn, dat zij op 5 augustus 1869 door Stijntje Jans Langbeek als het hare is erkend. Bij haar huwelijk is Eltje als Langbeek geregistreerd, evenals bij overlijden. Bij aangifte van haar kinderen wordt ze Elsje genoemd.
  2. Stijntje Koning, geb. op 25 augustus 1852 (Reindert Philippus Koning geeft Stijntje aan. In de acte is vermeld dat de ouders ehelieden zijn, wonend te Westerbroek) te Westerbroek (get. Jan Cebes van Dijken, 42, landbouwer, Westerbroek; Jelle Gabes Westerdiep, 39, arbeider, Westerbroek) dagloonster, ovl. (52 jaar oud) op 6 januari 1905 te Schildwolde, gem. Slochteren, tr. (resp. 26 en 32 jaar oud) op 9 november 1878 (zij trouwt als Stijntje Koning op 9 november 1878; haar ouders geven via notariele acte toestemming) te Slochteren met Izaäc Streuper, zn. van Derk Jakobs Streuper en Hemke Egges de Ruiter, geb. op 14 januari 1846 Schildwolde, dagloner, (huwelijksgetuige van Peter Langbeek en Grietje Schievink,zijn zwager op 20 januari 1883 te Hoogezand), arbeider op 20 januari 1883, woont op 20 januari 1883 Schildwolde, ovl. (74 jaar oud) op 27 juli 1920 te Slochteren.
    (In de huwelijksbijlagen 68, 1878 Hoogezand is het uittreksel van Stijntjes geboorteregistratie: dochter van Reinder Filippus Koning, en van diens echtgenoote Stijntje Jans Langbeek.)
  3. Peter Langbeek, geb. op 5 februari 1857 Annen (get. Petrus Kornelis, 44, bakker, Eext, Jakob Abels, 44, veldwachter, Eext), boerenknecht op 20 januari 1883 te Kropswolde, woont op 20 januari 1883 Kropswolde, woont met Grietje Schievink tussen 21 mei 1883 en 20 mei 1887  in Slochteren,postbode, woont Kalkwijk in 1904, ovl. (47 jaar oud) op 28 maart 1904 aan de Kalkwijk te Hoogezand (get. Heinrich Theodoor Huizinga, 28, arbeider; Derk Streuper, zesentwingtig, arbeider, beide wonend te Kalkwijk, geen verwanten), tr. (resp. 25 en 23 jaar oud) (Burgerlijke Stand) op 20 januari 1883 te Hoogezand (getuigen: Watze Schievink, broer van bruid, Jan Reilman, halfbroer van de bruidegom, Jan Hendrik Reilman, neef van de bruidegom en Izaäc Streuper, zwager van de bruidegom) met Grietje Schievink, dr. van Jan Schievink en Janna Nieboer, geb. op 15 december 1859 Foxhol (get. Mense Postema, 43, timmerman, Foxhol en Hendrik
    Veldhuis, 25, arbeider, Foxhol), woont in 1880 Foxhol, naaister tot 20 januari 1883, woont op 20 januari 1883 Hoogezand, woont met Peter Langbeek tussen 21 mei 1883 en 20 mei 1887  Slochteren, woonde tussen 26 augustus 1904 en 28 oktober 1905  Kalkwijk,  ovl. (49 jaar oud) op 26 februari 1909 teKalkwijk, gemeente Hoogezand (getuige: Hendrik Dijkema, haar zwager en Johannes Huizing, 28, ambtenaar der secretarie, Hoogezand).
    Het is niet formeel bewezen dat Peter Langbeek een zoon van Reinder Koning was, doch het is uitermate aannemelijk. Reinder deed aangifte van de geboorte, vermeldde daarbij dat het kind te zijnen huize is geboren en Peter’s eerste kind werd Reinder genoemd. Bovendien had Reinder eerder al twee dochters aangegeven van hem en Stijntje met de achternaam Koning. In Genlias is Peter geregistreerd bij geboorte als: Peter Koning geb.5.2.1857 Anloo, Annen, zoon van Reinder Koning (arbeider, 28) en.Kristina Langbeek (zonder beroep). Peter was eerst arbeider, 1883; daarna brievenbesteller, bij aangifte kinderen in 1888, 1891 en bij overlijden werd als beroep koopman geregistreerd.
    Bijzonderheden: Het nieuws van den dag : kleine courant 13-02-1904 : De Staatsraden Mrs. Huber en Asser rapporteerden voorts nog resp. omtrent eene pensioenaanvrage van P. Langbeek, eervol ontslagen postbode te Hoogezand, welke aanvrage werd toegelicht door het lid der Tweede Kamer den Heer Ter Laan, en omtrent de reclame van den gewezen matroos 3e kl. H. Cadovius, te Rotterdam, betreffende de regeling van zijn pensioen.



Christina – Het verhaal van Stijntje Jans Langbeek

1856 – De vroege ochtendzon piept door de wolken als Stijntje Jans Langbeek de deur van haar schamele veenhut opent. Zuchtend leunt ze even tegen de deurpost en plaatst haar handen in de zij. Haar gezicht draagt duidelijke sporen van een zwaar leven, maar ondanks dat heeft ze iets aantrekkelijks en innemends. Misschien zijn het haar heldere blauwe ogen, waaruit de levenslust sprankelt. Die ogen spreken boekdelen, ze lokken en lachen als ze vrolijk is, stralen als ze naar haar kinderen kijkt en worden verdonkerd wanneer de dagelijkse zorgen de overhand krijgen.

Nu staan haar ogen donker. Een nieuwe dag, jawel, maar wel een nieuwe dag vol zorgen. Als je moet rondkomen van een schamel loon, verdiend met hard werken in het veen, brengt elke dag nieuwe moeilijkheden. Zeker als je, zoals Stijntje, een groot gezin hebt. Ze deelt haar hut met Reindert Koning en hun kinderen. Zij heeft kinderen in soorten; een reeds volwassen drietal uit haar huwelijk met Derk Reilman, twee dochters waarvan Reindert de vader is en in de periode voor ze Reindert leerde kennen kreeg ze ook nog een tweetal kinderen, die jong zijn gestorven. Over de identiteit van hun vader of misschien zelfs vaders zwijgt ze; het is niet nodig dat iemand dat weet, vindt ze. Het waren háár kinderen, dat te weten volstaat.

Reindert en Stijntje zijn niet getrouwd; om een huwelijk te laten sluiten heb je immers geld nodig en het aanvragen van de benodigde aktes kost een lieve duit. Dat geld besteden ze liever aan voedsel. En ach, ook zonder het boterbriefje valt goed te leven. Ze weten immers toch wel dat ze bij elkaar horen. Al is Stijntje dan ook twintig jaar ouder dan Reindert, het zit wel goed met die twee. Voor Stijntje is Reindert haar man, gehuwd of niet gehuwd. Maar nu heeft ze zorgen. Ze is inmiddels negenenveertig jaar en als de tekenen haar niet bedriegen, dan verwacht ze óf een kind óf ze is een oude vrouw geworden. Zelf denkt ze het laatste en dat maakt dat ze haar vruchtbare leven overpeinst, staande in de deurpost in het Drentse veenlandschap van Anloo.

Twintig jaar was Stijntje toen ze Derk Hendriks Reilman, die als arbeider werkte in Westerbroek, ontmoette. Hij kwam, net als Stijntje en haar ouders, uit Duitsland. Stijntjes vader, Johann Jürgen Langbeck, had hun geboorteplaats Haarburg (in het Graafschap Hannover) verlaten wegens de bittere armoede daar. Op zoek naar meer voorspoed trokken ze naar Nederland, om in 1804 uiteindelijk neer te strijken in Scharmer, waar zich al meer Evangelisch-Luthersche Duitsers gevestigd hadden. Helaas was het ook hier bittere armoede. De bewoners van de streek stonden niet goed aangeschreven wegens hun liederlijke gedrag, in de ogen van de meer gefortuneerden dan. Maar onderling was de saamhorigheid en hulpvaardigheid groot en daar denkt Stijntje nog altijd met warmte aan terug.

Stijntjes gedachten dwalen af naar haar jeugd. Ze overpeinst de ontberingen en moeilijkheden die haar ouders moeten hebben doorstaan tijdens hun landverhuizing. Eigenlijk was het een dapper avontuur. Haar ouders, met hun oudste zoon Johann, die in 1799 nog in Haarburg in Duitsland was geboren, moesten een barre reis hebben gemaakt. Nog een wonder dat Johann dat had overleefd. Nooit had Stijntje van haar ouders gehoord of er nog meer kinderen tussen Johann en het volgende zoontje – dat in Scharmer geboren was in 1807 en vervolgens alweer gestorven in 1808 – waren geboren. Ze vermoedde van wel. Zo ging het immers, het ene na het andere kind kondigde zich aan, reis of geen reis. Nu kan ze haar ouders er niet meer naar vragen. Moeder Leentje Kweeboom (haar Hollandse naam, in plaats van het prachtige Duitse Catharina Margaretha Magdalena Quebaum) was in 1840 in Scharmer gestorven en vader Jan (Johann Jürgen) stierf vier jaar later. Moeder was negenzestig geworden, vader eenenzeventig. Snel rekent Stijntje: redelijkerwijs heeft ze nog zo’n goede vijfentwintig jaren als oude vrouw te gaan. De tijd vliegt. Als de zorgen maar eens wegblijven, denkt Stijntje.

Derk. Ach ja, Derk. Hij was een goede vent, hij werkte als los arbeider bij een ‘dikke’ boer. Ze waren in januari van het jaar 1831 getrouwd, weliswaar met een bewijs van onvermogen, maar toch: getrouwd. Stijntje moest een verklaring laten opmaken over de datum van haar doop. In de acte van bekendheid werd als geboortedatum mei 1808 vastgesteld en in plaats van de naam die haar ouders haar hadden geven, Christina, noteerde de ambtenaar het afgeleide Stijntje als haar naam. De preciese gebooortedatum schenen haar ouders niet meer te weten en gedoopt was ze ook niet. Reeds twee jaar vóór haar huwelijk met Derk, was er al een kind geboren: zoon Hindrik. En, precies veertien dagen voor hun huwelijk had het tweede kind het levenslicht gezien. Het was een zoon, genoemd naar haar vader, Jan. Beide kinderen waren bij het huwelijk geëcht. Na twee huwelijksjaren werd het eerste kindje bínnen het huwelijk geboren: een teer dochtertje, Aaltje. Groot was het verdriet toen dit kleine meisje binnen een jaar overleed. Er kwam nóg een zoon, Geert. De jongens waren sterk en overleefden de kinderjaren. De tak van de levensboom van de familie Reilman zou doorgroeien. Maar de levensdraad van Derk was in datzelfde jaar afgebroken. Nòg kan Stijntje de ontreddering van dat moment voelen. Haar sterke boom van een kerel, die nog nooit ziek was geweest, nu plotsklaps geveld. Nog maar dertig was hij geweest toen hij ziek werd en stierf en haar achterliet met de zorg voor zijn drie jongens.

Het leven komt zoals het komt, je kunt de tijd niet terugdraaien en dat is maar goed ook. Nu, 25 jaar later, kan ze glimlachen bij de herinnering aan Derk. Ze hebben het goed gehad tijdens hun korte huwelijk. Hun zonen doen het goed, ze verdienen inmiddels de kost en de oudste is al weer twintig. Flinke jongens zijn het, dol op hun Mutti. De tweede zoon lijkt op Derk en dat vindt ze fijn.

De eerste tijd na Derks dood had ze niet getaald naar andere mannen. Maar na een paar jaren, begon haar bloed te kriebelen. En zo kwam het, dat ze inging op de avances van een knappe seizoensarbeider. En het kon niet uitblijven: Stijntje raakte zwanger. Wat een schande! Ze was destijds blij dat haar moeder dat niet meer had meegemaakt. Anderzijds had ze graag haar moeders warme troost gevoeld tijdens deze moeilijke zwangerschap. Moeilijk, want haar knappe minnaar was al weer verder getrokken en wist niet van Stijntjes situatie. In 1842 beviel ze van haar zoon Harm. De naam verwees naar zijn vader en dat was dan ook alles wat het kind van zijn vader te verwachten had. De vader kwam twee jaar later nog eens voor seizoenswerk in Westerbroek maar voelde zich niet verantwoordelijk voor het kind. Ondanks deze houding kwam Stijntje toch weer in zijn ban. Een tweede zwangerschap was het gevolg. Een dochtertje, Leentje, werd geboren, zij werd genoemd naar haar grootmoeder. De vader was alweer gevlogen, waarover Stijntje uiteindelijk niet al te rouwig was. Hij was knap, maar verder: een flierefluiter was het, een vogel die je niet kon kooien.

Het kind Harm was niet sterk en vaak ziek. Nog kan ze zijn beeltenis voor zich zien, blond van haar, bleek van huid en hij had blauwe ogen. Een knap ventje, vrolijk ook, ondanks zijn teer gestel. Hij was haar zonnestraaltje. Uiterlijk een tegenstelling met zijn halfbroers, die sterk en tanig zijn. Voor hem waren zijn grote broers zijn helden. Elke avond keek hij verlangend uit naar hun thuiskomst. Stijntje genoot altijd van het gesnater van de kinderstemmen, gemengd met de bas van haar oudste, die toen de baard al in de keel had. Het kleine meisje, Leentje, was behept met hetzelfde gestel als haar broertje. Wonderlijk, bedacht Stijntje, hun vader leek zo sterk en gezond, en toch waren haar beide kinderen van hem zo ziekelijk teer.

Uiteindelijk won hun ziekte het. Eerst stierf in 1847 haar dochtertje, een klein popje van drie jaar oud. Ook Harm stierf, nu zeven jaar geleden, net zeven jaar oud. Haar kleine kereltje was in haar armen gestorven, met een glimlach om zijn blauwige lipjes. En hoe graag ze haar kinderen ook goed wilde begraven, dat zat er niet in. Bij de diaconie vroeg ze om ondersteuning voor de begrafenissen. Onverrichterzake werd ze beide keren teruggestuurd. Ze moest maar ergens anders vragen, bij de vader van het kind bijvoorbeeld. Nooit, dacht ze. En zo kwam het dat Leentje en Harm werden begraven op het armengedeelte van het kerkhof, zonder steentje. Zelfs in de dood was er onderscheid, bedacht ze bitter, maar haar geloof bood toch voldoende houvast om door te gaan. Reindert maakte later een houten kruisje op de grafjes.

En nu, bedenkt ze, nu is het leven toch weer goed. Want ruim nog voor Harm overleed, had ze Reindert leren kennen. Reindert Philippus Koning, toen twintig jaar jong, en toch al zo volwassen. Nog kon ze zich afvragen wat hij toen zag in haar, een veertigjarige moeder van vijf kinderen, zich aftobbend in het veen.

Reindert maakt wel eens het grapje dat hij een surrogaatmoeder zocht. Ze weet inmiddels wel beter. Toen hij voor de eerste keer in haar ogen keek, keek hij in de ogen van een jonge meid. Dat zegt hij tenminste en zij gelooft hem maar al te graag. Bijna twee maanden na het verlies van Harm beviel ze van Reinderts dochter, die ze Eltje noemden. Zij had Reinderts moeder willen vernoemen, maar Reindert stelde voor om eerst zijn grootmoeder te vernoemen. Ze stemde er mee in, overwegend dat het wel zo praktisch was om geen twee Stijntjes in één gezin te hebben. Maar toen ze drie jaar later werden verblijd met weer een dochter stapten ze over dat bezwaar heen en noemden dit kind toch ook Stijntje. De ambtenaar registreerde haar als Stijntje Koning. Voortaan waren er Grote Stijntje en Kleine Stijntje. Reindert adoreert zijn vrouwen, die alle drie dezelfde mooie blauwe ogen hebben en omgekeerd zijn zij dol op hem. De dochtertjes zijn sterk en dat is een pak van Stijntjes hart. Behalve een paar verkoudheden zijn ze praktisch nooit ziek.

Stijntje rekt zich uit en besluit de ochtendwerkzaamheden aan te pakken. Water halen, geitenmelk koken en er pap van maken, Reindert wekken en dan het veen in voor de dagelijkse arbeid. Plotseling staat ze stil. Er was beweging in haar. Ze weet het zeker, dit was een maar al te bekend gevoel. Ze is nog geen oude vrouw, ze is weer zwanger. Angst overvalt haar. “Negenenveertig jaar ben ik, kan dit wel goed gaan?” vraagt ze zich af. Ze rept zich naar Reindert, die altijd maar moeilijk wakker wordt en schudt hem heen en weer. Hij moet aan de slag bij zijn boer. Morgen zal ze hem vertellen dat hij nog eens vader wordt, maar deze dag blijft het nog haar geheim. Misschien zal het deze keer een zoon zijn? Ze weet dat dat een wens van Reindert is. ‘Met jouw ogen en mijn mond moet een zoon van ons een knappe kerel worden’, zegt hij meer dan eens. Morgen, dan vertelt ze het, zich nu al verheugend op zijn vreugde.

Epiloog

Op 5 februari 1857 wordt Peter geboren. Reindert, trots, geeft hem aan bij de burgerlijke stand. Maar omdat Stijntje en hij niet getrouwd zijn, weigert de onkreukbare ambtenaar te vermelden dat het kind van Reindert is en krijgt het de achternaam Langbeek, met de vermelding dat het is geboren ten huize van Reindert Koning. Weg is de trots, maar niet de liefde voor dit kind. Reindert vervloekt zijn armoede. Armoede tekent zijn leven. Armoede slaat hem lam. Door armoede zal dit kind van hem zijn naam niet dragen.

Jaren later doet Peter Langbeek zijn vader recht: hij vernoemt zijn eerste zoon naar Reindert. Armoe heeft niet altijd het laatste woord. Het is nu duidelijk dat Reindert Koning een zoon heeft. Peter’s kleindochter is er later vast van overtuigd dat Reindert haar voorvader is en draagt dat uit. Een eeuw later groeit Reinderts stamboom verder en draagt veelkleurige bloesem.

Magnus Kerk Anloo (maker onbekend, deelnemer Beeldbank collectie Monumentenzorg)

© www.yinnar.nl : overname alleen met instemming van auteur, na schriftelijke toestemming en met bronvermelding.